Vrienden van het dienstvak LO&Sport
 
 
 
 


INTERVIEW HENK MIJNSBERGEN

Door : Wil Maaswinkel

Zaterdag 10 juni is er een de reünie van de Haagse Academie Lichamelijke Opvoeding. Voor het laatst een reünie in het Academiegebouw aan de Laan van Poot in den Haag. Dat maakt deze reünie zeer speciaal. Kijk hier om in te schrijven. Eén van de organisatoren is Henk Mijnsbergen. Henk Halo Mijnsbergen. Ik noem hem zo omdat hij van 1958 tot 2000 (tweeënveertig jaar) veel heeft betekend voor de HALO. Maar belangrijker, veel heeft betekend voor de duizenden studenten die op de HALO studeerden. Een flink aantal LO&Sportofficieren en -instructeurs heeft van hem les gehad, is door hem beïnvloed, gecoacht en opgevoed! Alle commandanten van de LO&Sportorganisatie (m.u.v. Henk Stuut) zijn soms letterlijk maar op zijn minst figuurlijk door zijn handen gegaan! Voldoende reden om hem vijf vragen te stellen.

1. Henk je bent in 1958 (rond je twintigste) afgestudeerd aan de HALO. Kun je ons wat over de eerste 20 jaar van je leven vertellen?

In Goes werd ik in 1938 geboren. Een hele fijne jeugd in het rustige, open Zuid-Beveland. Hele zaterdagen door de polder struinen met vriendjes. Soms gingen we zo moe naar huis dat ik onderweg visioenen kreeg van eten dat ik eigenlijk niet lustte. Zoals ik later pas begreep: een “hongerklop”.

 Opgroeien in een warm nest in een warme buurt. Ondanks de soms grote verschillen in cultuur en religie heerste er een grote saamhorigheid. Mijn ouders voelden heel sterk de verantwoordelijkheid om hun kinderen (naast mij twee zussen) de opleiding te geven die bij hen paste. Toen ik dus op het eind van de lagere school te kennen gaf gymnastiekleraar te willen worden, zocht mijn vader een gymleraar op om ons voor te lichten. Dat zorgde ervoor dat ik naar het Goese Lyceum ging, wat in onze kring redelijk ongebruikelijk was.

Turnen was mijn sport, vanaf mijn tweede jaar ging ik op zondagochtend mee naar de trainingen die mijn vader gaf aan de plaatselijke turnvereniging. Dat was voor hem een levenslange vrije tijd besteding. Er werd in de club ook handbal gespeeld, dus vanaf mijn 14e jaar speelde ik tussen de volwassenen handbal na het turnen op zondag.

Na de H.B.S dus naar de HALO, of zoals dat in Goes heette: “studeren in Holland”. Ik kreeg een Rijksstudietoelage van 1500 gulden per jaar. Tenminste, als mijn vader kon bewijzen dat hijzelf voor meer dan 50% aan mijn onderhoud besteedde. Geen vetpot, maar wel een op het lijf geschreven opleiding. Een fantastische tijd met klasgenoten met dezelfde doelstelling. Het was de laatste drie-jarige opleiding. Heel trots was ik dat mijn turndocent van de HALO me op het eind van het eerste jaar vroeg om leider te worden op zijn turnvereniging. Een mooie leerschool en ook zeer welkome aanvulling op mijn budget.

Het lukte allemaal goed en in 1958 verwierf ik de akte MO Lichamelijke Opvoeding (M.O.P). Tot de oproep om in december mijn dienstplicht te vervullen, kreeg ik een aanstelling in Rotterdam. De werkwijze in die stad betekende dat ik les gaf in drie verschillende zalen en aan 15 verschillende scholen. De kinderen werden gebracht en gehaald door hun klasse leraar. Dat was dan ook ongeveer het enige contact dat ik met de scholen had. Zo had ik me een baan niet voorgesteld.

2. Na je dienstplicht, ben je direct gestart als docent op de HALO en je hebt dat in allerlei functies tot 2000 volgehouden. Kun je ons vertellen wat je hebt gedaan en hoe je daar op terugkijkt?

Een droombaan leek het vooraf, en in tegenstelling tot de algemene mening bleek de droom ook nog waar te zijn. Natuurlijk was het enorm ploeteren in het begin en vooral steunen op het eigen voorbeeld en inzet. Maar werken met intrinsiek gemotiveerde jonge mensen is (bijna altijd) een waar feest. Ik bewaar een enorme schat aan herinneringen aan al die mensen die passeerden. Ik hoop een beetje te hebben bijgedragen aan hun ontwikkeling tot fantastische leraren en vooral tot enthousiaste en gedreven leden van de maatschappij. In de meest uiteenlopende beroepen hebben zij hun weg gevonden en bijna allen vertellen me dat de HALO hen daarbij de tools heeft aangereikt.

Beginnen als docent in een praktijkvak is een mooie start. Bij mij was dat turnen. Voor veel studenten was dat een moeilijk vak, dat zwaar telde. Des te groter de voldoening als het ploeteren resultaat opleverde.Vooral de extra lessen voor zwakke leerlingen in mijn vak hebben me veel positiefs gebracht.

Naast de uren op de HALO werkte ik ook in het lager- en voortgezet onderwijs om ook daar ervaring op te doen. De overgang naar de didactiek en methodiek van de schoolgymnastiek in de zaal was een logische voortzetting. Een nieuwe uitdaging. Studenten aan het denken zetten en begeleiden tot zelfstandige leraar.

Daarna de managementperiode als conrector. Naast de lestaak en vervolgens bij de grote operatie van samenvoeging en concentratie in het HBO een tienjarige periode als leider van de opleiding aan de Haagse Hogeschool.

Een grappig voorval dat de verandering van zelfstandig instituut naar onderdeel van de Haagse Hogeschool illustreert. Toen ik de vlag had overgenomen van Oene Loopstra, ondertekende ik mijn eerste schrijven aan het college van bestuur met de vermelding van mijn functie, zoals al mijn voorgangers, met “rector”. Per kerende post kreeg ik nog geen antwoord op mijn brief, maar wel de opmerking dat de functie binnen de hogeschool niet bestond. Ik ben dus precies één brief lang rector geweest, daarna in allerlei anderen functies met verschillende namen en dezelfde inhoud.

Ik leidde (niet als baas, maar meer als aanvoerder) een fantastisch team mensen, met maar één doel: de best mogelijke opleiding voor hun studenten te verzorgen. Op dat team was en ben ik nog altijd trots.

3. Je hebt je dienstplicht als LO&Sportofficier vervuld, maar ook een flink aantal officieren meegemaakt tijdens hun HALO studie. Welke herinneringen heb je daaraan?

Bijna altijd heel positieve herinneringen. Niet alleen aan de mannen van de landmacht, maar ook de luchtmacht en de mariniers, helaas geen vrouwen. Met verschillende heb ik nog regelmatig contact. Zij waren, door de kans die hen werd geboden, meestal zeer gemotiveerd en wisten precies waarmee zij bezig waren. Voor zover ik dat van afstand kan beoordelen zijn zij ook de mensen geweest die er voor hebben gezorgd dat LO&Sport een dienstvak is geworden. De omzetting van het aftreksel van het bewegen in de burger maatschappij naar de specifieke “groene L.O. en Sport” vind ik van grote klasse. Het enige dat ik betreur, is dat zelfs het samen studeren er niet toe heeft geleid dat er één LO&Sportorganisatie voor de krijgsmacht is ontstaan!

Henk Mijnsbergen, tweede van links.

De grappigste relatie kreeg ik met Leen Pfommer. Op de SROI was hij mijn sportofficier, daarna collega, ik zat in ‘t Harde. Op de HALO een paar jaar later was ik zijn turndocent. Hij kon overigens meer dan fantastisch schaatsen, ontdekte ik in die lessen.

4. Henk, je hebt de ontwikkelingen in de lichamelijke opvoeding en sport de afgelopen vijftig jaar van zeer dichtbij meegemaakt. Wat zie je als de belangrijkste ontwikkelingen en wat zou je de jonge generaties willen meegeven?

De belangrijkste ontwikkeling die ik meen te constateren, is de belangstelling van Nederland voor het bewegen van de mensen. Lichamelijke Opvoeding en Sport zijn in elkaars verlengde komen te liggen. Op onze Academie was dat altijd al het geval. De tijd dat een rector van een ALO brieven, die gericht waren aan de “Sportacademie”, ongeopend retour zond, is verdwenen. Elke ALO heeft tegenwoordig zelfs het woord “sport” in de naamgeving van de opleiding.

Het belang van bewegen wordt alom erkend. Het is eigenlijk onbegrijpelijk dat de KVLO (vereniging van leraren L.O. en haar leden) nog steeds strijden om de politiek zover te krijgen dat die erkenning leidt tot maatregelen om het vak, vooral in het basis onderwijs, echt belangrijk te maken.

Minder gelukkig ben ik met de veronderstelling dat het vooral leuk moet zijn en dat “goed daar wel eens onder lijdt”.

Tegen de jeugd zou ik willen zeggen: ‘luister naar de wetenschap en de praktijkervaring die vertellen dat bewegen en een gezonde leefstijl, voorwaardelijk zijn voor een langdurig gelukkig leven.’ En tegen ouderen en opvoeders: Voorleven is de beste manier om duidelijk te zijn. Voorzeggen (en anders doen) werkt veel minder.

5. Zaterdag 10 juni zijn veel (oud) studenten voor de laatste keer in het Academiegebouw aan de Laan van Poot. Jij zit in het comité dat dit festijn voorbereidt. Kun je al wat verklappen en wanneer kijkt het comité tevreden terug op deze dag?

Het HALO-genootschap organiseert het afscheid aan de hand van oud-student, oud-commando en evenementen organisator Michel Nusse. We verzamelen in het bestaande gebouw, gaan op een ludieke manier een kort bezoek brengen aan de nieuwe locatie, de Sportcampus, en zetten de dag voort op de plek waar iedereen mooie herinneringen aan heeft: het strand.

We hopen op een ruime deelname. Om die te bereiken is het van belang dat mensen elkaar gaan benaderen om samen mee te gaan doen. Niet afwachten op misschien een teleurstelling van weinig mede studenten van toen, maar proactief werven.

Kijk op www.halogenootschap.nl/nieuws/ of klik op deze link voor de nieuwsbrief van januari 2017, om in te schrijven.

Wil je na het bovenstaande gelezen te hebben, Henk nu ook weer eens in levende lijve zien, klik dan op de onderstaande foto voor het openen van een 3:34 minuten durende Youtube film.


Publicatiedatum: 23 februari 2017